Dynamic Testing

Korte historie

Sinds Alfred Binet aan het begin van de 20e eeuw zijn eerste intelligentietest publiceerde is het mogelijk om op gestandaardiseerde wijze intelligentie en andere cognitieve vaardigheden te meten. In de afgelopen honderd jaar is er dan ook een scala aan meetinstrumenten ontwikkeld om de intelligentie of schoolvaardigheden van kinderen in kaart te brengen. Deze meetinstrumenten –test, toets – zijn allemaal  statisch en meten de cognitieve prestaties op een moment en achteraf.  Gemeten wordt  welke vermogens, vaardigheden en kennis een kind al verworven of ontplooid heeft. Het vermogen of potentieel om te leren wordt slechts zeer beperkt en indirect gemeten. Dat lag niet aan Binet zelf, immers hij definieerde intelligentie juist als “the ability to learn”.

Dynamisch testen vindt een oorsprong in, onder andere, de theorie van de Russische psycholoog Vygotsky, die opmerkte dat kinderen in interactie met volwassenen tot grotere leerprestaties in staat zijn en daarin individueel ook sterk variëren. Hij stelde dat een kind de handelingen van een volwassene imiteert en zo geleidelijk aan het vermogen ontwikkelt om bepaalde taken of handelingen zelfstandig uit te voeren. Dit verschil tussen wat een kind zelfstandig en met behulp van anderen uit kan voeren wordt ook wel de zone van naaste ontwikkeling genoemd.